600.000….
![]()
"Voorzitter, mag ik even...?", vroeg fractiewoordvoerder van den Tillaart. Een daverend lachsalvo steeg op vanuit de publiekstribune in de oververhitte raadszaal.
"Heren en dame...!", reageerde de voorzitter streng, "het gaat hier om cultuur met een hoofdletter C! Gaat u verder...".
"Bedankt, mijnheer de voorzitter. Zoals u allen weet, heeft het CDA de cultuur, en de kunst in het bijzonder, altijd een warm hart toegedragen. Onlangs nog hebben wij gepleit voor een standbeeld van frater van Oerle op het Pieter Vredeplein. Hij was niet alleen een groot prediker, maar zong zijn preken ook nog eens op rijm. En hij heeft twee jaar ingewoond bij zijn tante op het Pieter Vredeplein. Dus het zou een passend eerbetoon zijn aan zowel de kunstenaar van Oerle als aan zijn tante".
Het duurde vijf minuten alvorens de voorzitter de publiekstribune weer enigszins tot rust had weten te manen.
"Mijnheer de voorzitter, mijnheer de voorzitter", zo herbegon wethouder Backx, "een standbeeld van frater van Oerle past nauwelijks in een te bouwen parkeergarage. Die man was voor die tijd niet alleen een groot kunstenaar maar ook voor die tijd al onwaarschijnlijk lang. Een meter vijfennegentig, heb ik mij laten vertellen. En dan heb ik die sokkel waar hij op moet komen niet eens meegerekend. We komen onontkoombaar in de problemen met de luchtverversingroosters."
"Bovendien", interpelleerde woordvoerder Ruud van Esch namens de voltallige D66-fractie, "wat kost zo'n standbeeld tegenwoordig? Die kun je voortaan bij honderden tegelijk in het uur gieten. Hooguit twaalfduizend euro per stuk. Dan zouden we er die hele parkeergarage wel mee vol kunnen zetten. Even snel rekenen... dat zouden er dan zo'n vijftig worden. (...) Alhoewel, mijnheer de voorzitter, nu ik er zo over nadenk, is het wellicht toch een optie...".
"Mijnheer de voorzitter", en de verontwaardiging spatte van haar gezicht, "waar hébben we het hier over...! Al eerder heb ik aangegeven er trots op te zijn deel uit te maken van een gemeentebestuur dat aandacht heeft voor de ludieke kant van het leven. De fractie van Groenlinks heeft er echter de grootste moeite mee om die zeshonderdduizend euro ónder de grond te stoppen. De binnenstad van Tilburg is al vergeven van de autokerkhoven. Groenlinks pleit er dan ook voor dat bedrag desnoods te verdubbelen, maar dan wel bovengronds. De ‘Nota Armoedebeleid' biedt voor Groenlinks voldoende uitgangspunten om uitkeringsgerechtigden door middel van een zinvolle en arbeidsmotiverende activering bij de uitvoering ervan te werk te stellen".
"Verdubbelen, verdubbelen, bovengronds...!?", zo mengde zich nu ook SP-er Johan van den Hout eindelijk in het debat, "mijnheer de voorzitter, voor dat geld hadden wij de Cityring én bovengronds én ook nog eens dertig meter boven de Kattenrug kunnen realiseren...!".
"Mijnheer de voorzitter...!", fluisterde Loes Dielissen, bescheiden als altijd en kennelijk weer in de overtuiging dat alle ogen op haar gericht zouden zijn. Maar er was niemand die haar hoorde.
"Het woord is aan de heer van den Tillaart".
"Dank u, mijnheer de voorzitter. Mijnheer de voorzitter, ik heb de indruk dat de heer Smolders zich zit te verbijten. Hij spreke voor zichzelf. Maar de voltallige CDA-fractie is bereid om in belangrijke mate tegemoet te komen aan zijn bezwaren en een beeldgroep van hem en de heer Fortuyn op de kop van de parkeergarage te plaatsen. Wij als fractie zijn van mening dat wij daarmee ruimschoots voedsel geven aan de onderbuik van Tilburg en dat het mes dus aan twee kanten zal snijden."
"Mijnheer de voorzitter", zo sprak nu wethouder Hamming met een tevreden glimlach op zijn gezicht, "wij zijn enorm blij met het verzoenende gebaar van onze collegepartners. Maar het college is van mening dat we met uitsluitend standbeelden die zes ton niet halen. Wij zullen ons voorstel dan ook bijstellen in die zin, dat wij het standbeeld van de heer Smolders willen doen uitvoeren met behoud van wachtgeld voor de duur dat hij daar staat".
Hans Smolders had de raadszaal inmiddels al verlaten en stond op het Pieter Vredeplein dromerig te staren naar de plek waar ooit zijn beeltenis zou verschijnen...

