Ulyssus - V

Station Geldermalsen
20.30 uur
De Laistrygonen, deel 1
Geldermalsen.
Een station zonder veel charisma, zonder veel faciliteiten. De kans dat je er werd doodgestoken was even klein als de kans dat je er iets interessants meemaakte. Er stopten maar weinig treinen in het plaatsje, en Ulysses bedacht dat ze in station Utrecht waarschijnlijk beter af waren geweest.
“Het is geen probleem”, hield Christiaan vol, de eeuwige optimist, terwijl ze het station inreden, “We begeven ons gewoon het uitgaansleven van Geldermalsen in. Een nachtje doortrekken in een onbekende plaats. Kán heel leuk zijn. Benieuwd wat voor cafés en discotheken ze hier zoal in de aanbieding hebben...”
Ulysses wilde zijn beste vriend niet aan het huilen maken, dus zei hij maar niets.
In dit dode dorp werden de reizigers de trein uit gedwongen. “Reizigers voor 's Hertogenbosch en verder de trein uit”, beval de machinist toen ze stil stonden, “Deze trein gaat door naar Tiel.”
Twee personen, een vader en zijn zoon, bleven tevreden zitten (“We gaan naar Tiel, jongen!”, zei de vader uitgelaten), de rest van de reizigers stapte uit, het verlaten perron op. Het was er koud en leeg en er was geen overdekte ruimte om je in te verschuilen. De plotselinge temperatuursverandering bezorgde Ulysses een brandend gevoel aan de binnenkant van zijn neus.
“Kijk, er is een restauratie die eh... morgenochtend om zeven uur weer open gaat.”, zei Christiaan, “Du als we hier echt de hele nacht zitten...”
Een groep mensen was meteen na het uitstappen doorgerend naar de ene snoepautomaat die in de hoek van het station stond. Tegen de tijd dat Ulysses er aankwam was elke snack al besteld, op een pakje stimorol van 1 euro 80 na dan. Op dit moment had hij echter geen behoefte aan nog meer frisheid in zijn mond.
Het besef dat ze hier alleen werden achtergelaten, dat er hier geen trein voor hen klaarstond om hen verder naar Den Bosch te brengen, drong zich aan de pakweg 80 gestrande passagiers op. Chaos en anarchie stonden op het punt uit te breken.
“Neem ons mee, godverdomme!”, schreeuwde een man tegen de enorme conducteur die in de enige nog geopende deur van de Tiel-expres stond. De conducteur zei niets, keek met een grimmig gezicht op de mensenmenigte neer.
Ulysses voelde een enorme woede jegens de NS in zich opkomen. Hij zou vanavond de liefde van zijn leven mislopen, alleen maar omdat de spoorwegen hun treinen niet op tijd konden laten rijden! Op het moment dat het fluitje klonk en de laatste treindeur zich sloot stapte hij naar voren en trok het conducteursjasje uit en de pet van zijn kop. Hij zag de conducteur schrikken, hem nastaren, terwijl de vertrekkende trein hen van elkaar scheidde. Aangezien hij in de nu vertrekkende trein stond kon hij echter niets ondernemen.
“Ja, kijk maar!”, riep Ulysses hem na, “Ík was het! Geen conducteur! Je bent beduveld! Ik ben je te slim af geweest! Ik ken mijn vrienden hebben gratis Eerste Klas gereisd! Wat vind je daarvan? Ahahahahaha! Slome duikelaar!”
Uit dit voorval haalde hij een kortstondig gevoel van bevrediging. Daarna begon het grote wachten.
Het werd kouder. De mensen werden opstandiger. De NS bleef stil. Een man probeerde een ruit van de restauratie in te slaan maar brak mogelijk zijn hand. Zijn medereizigers ontfermden zich over hem en droegen hem naar het andere eind van het perron, maar zijn gejammer bleef de rest van de avond te horen.
De sfeer was voortdurend gespannen. Er werd binnen de groep van reizigers een hoop agressie opgebouwd, vooral gericht op de NS. Aangezien de NS zich afzijdig hield richtten de gestrande mensen hun woede echter meer en meer op elkaar. Het begon met wederzijdse irritaties; een man die een opmerking maakte over de toch wel erg grote koffer van zijn buurman en prompt een verwensing naar zijn hoofd kreeg geslingerd. Een moeder met een huilende kleuter die te horen kreeg dat ze 'die klote-sirene' uit moest zetten.
Een hoop mensen, waaronder Ulysses en zijn vrienden, had zich in de glazen wachtruimte verschuild, die een minimale bescherming bood tegen het vriezen, maar aangezien ze met minstens honderd man in Geldermalsen waren gestrand was hier niet voor iedereen plaats.
De deur werd angstvallig gesloten gehouden, om de kou maar buiten de deur te houden. “Deur dicht!”, blafte een man, die zich tot portier had benoemd, tegen elke nieuwe binnenkomer.
Om hem heen belden passagiers om hulp.
“Ik snap het ook niet”, zei een mevrouw, “Ze zeiden dat we moesten uitstappen, maar we staan hier nu al een half uur en er is nog niets gezegd over een nieuwe trein of niets.”
“Kom me alsjeblieft halen!”, riep een meisje in haar telefoon, “Nee, ik zit in Geldermalsen. Gel-der-mal-sen! Nee, ik weet ook niet waar het ligt, ergens tussen Utrecht en Den Bosch, neem ik aan. Zoek het op op Google Maps. Wat bedoel je: er ligt te veel sneeuw? Ik kan hier toch niet de hele nacht in Geldermalsen blijven wachten?”
Er leek op dat moment echter verdomd weinig anders op te zetten. Een groep morrende twintigers had zich een kwartier eerder van hen afgescheiden en was Geldermalsen ingetrokken, op zoek naar een veilig inkomen, maar hier voelde Ulysses weinig voor. Hij vermoedde dat er spoedig een trein voor hen zou komen. Dat móest wel. De NS liet haar reizigers toch niet zomaar aan hun lot over? Bij gebrek aan beter zat hij nu zelf te knikkebollen op een bankje. Hij zou hier wachten tot er nieuw bericht van de NS kwam. Ondertussen werd het al na tienen. Vaag hoorde hij het gemopper van zijn vrienden.
“Dit is allemaal jouw schuld!”, beet Leon hem toe, “Ja, doe maar niet alsof je slaapt, want ik weet dat je toch wel luistert. Als het aan mij had gelegen hadden we ten minste nog in Utrecht gezeten, lekker aan de warme koffie!”
Vreemd genoeg had Leons gehaat een geruststellende invloed op Ulysses. Hij was van de jongen weinig anders gewend, en het deed hem aan thuis denken.
Thuis...
Ondanks de kou moest Ulysses even hebben geslapen. Het was al half elf, een half uur later, toen hij opschrok. De glazen ruimte was op rumoerige wijze leeg aan het stromen. Mensen riepen, liepen door elkaar, en Christiaan stootte Ulysses aan.
“Word wakker”, zei hij, “Het is flink mis. Er staan mensen buiten, langs het station.”
“Mensen? Hoezo mensen?”
“ME!”, brulde iemand buiten, “De Mobiele Eenheid is er!”