Tilburg Virtueel

...een periodiek dat permanent verschijnt...

Ulysses - VI

Ulysses - VI

Geldermalsen
Ongeveer 22.30 uur
De Laistrygonen, deel 2

In het donker, aan de rand van het station, kon Ulysses een groot aantal zwarte schimmen ontwaren. Ze hadden wapens in de aanslag, knuppels maar ook busjes pepperspray, stonden zwijgend op een rij, als een falanx van hoplieten. Toen zijn ogen weer aan het donker waren gewend zag hij dat het hele station was omsingeld, door minstens dertig ME-ers. Verderop stonden ook zwarte busjes, en een paar van de mannen in het duister hadden honden bij zich. Vraag bleef echter waarom ze hier waren.
“Wat de frak doet de ME hier?”, vroeg Ulysses, “Moeten die lui normaal gesproken niet een eind verderop zijn, in Culemborg? Is dit omdat ik me voor een conducteur heb uitgegeven?”
“Dat zou nog wat zijn. Nee, een paar van die klootzakken die met ons in de trein zaten en daarstraks vanaf het station het dorp in zijn gedwaald hebben geprobeerd in te breken in een huis in Geldermalsen!”, zei Leon, “Het huis van de burgemeester, als ik het goed heb, dus het wordt als een politieke aanslag gezien. En daar gaan we nu allemaal voor boeten! Die staatspooiers zien geen verschil tussen onschuldige mensen die gewoon op hun trein staan te wachten en een stelletje inbrekers. Dit gaat verkeerd aflopen.”
Een van de mannen uit de Eerste Klas verliet het perron, liep op de ME-ers af. “Heren, kunt u ons misschien verder helpen? De NS heeft ons al meer dan een uur geleden uit de trein gezet en het lijkt er niet op dat...”
Pats! De man kreeg een knuppel in zijn gezicht en landde met een bloedlip op de grond. Dit had hij beslist niet verdiend.
“Wat heeft dit te beteke..”, kermde hij. Hij kreeg nog een schop in zijn zij, en bleef grienend liggen. Twee heren die hem te hulp wilden schieten werden op eenzelfde ontvangst getrakteerd. Daarna waagde niemand zich meer in de buurt van de strijdlinie. Het duurde echter niet lang voor een stel opgeschoten jongeren met stenen en sneeuwballen begonnen te gooien, terwijl oudere vrouwen wanhopig om hulp belden, en een man probeerde over de treinrails te vluchten. Toen kwam de Eenheid in beweging.

Het werd een slachtpartij. De ME viel aan. Gewapende, bepantserde mannen stormden het perron van Geldermalsen op, mepten iedereen neer die binnen het bereik van hun knuppels kwam. Zonder dat ze ooit volledig de reden waarom zouden begrijpen werden grote groepen mensen neergeslagen. Weken later zouden over het incident Kamervragen worden gesteld, zouden op diverse borden schadeclaims belanden, terwijl verantwoordelijke kopstukken riepen dat het 'één groot misverstand' was, maar op die avond zelf waren de gebeurtenissen voor vrijwel alle betrokkenen een vlug voorbij flitsende chaos, een kortstondige dreun die desalniettemin in vele nachtmerries na-echode.
De zwarte horde regende op hen neer. Granaten vlogen als sneeuwballen door de lucht, een gas vrijlatend dat nog erger brandde dan de kou. Woeste honden achtervolgden de vluchtende mensen over de lange maar niet eindeloze perrons. Ulysses had zelf ook een hond, een oude, bijna blinde golden retriever waar hij zeer aan gehecht was, maar de herinnering aan Argus weerhield hem er niet van het eerste mormel dat zich bij hem aandiende omver te schoppen.
“Wegwezen, jongens!”, beval Ulysses. Hij nam zelf het voortouw en sprintte naar het andere eind van het perron. Zijn vrienden volgden vlug. De zwijgende troepen achtervolgden ook hen, marcherend door de duisternis. Ulysses stapte behendig over kermende, gevallen reizigers heen, en hoopte dat hij de avond beter zou doorstaan.
“Oh, fúck dit.”, hoorde hij Leon roepen, “Het loopt hier dood.”
Het perron liep inderdaad dood. Ze zaten ingesloten tussen een seintoren en het spoor, terwijl vijf mannen met knuppels in de aanslag gestaag dichterbij kwamen.
“Dit wordt knokken, jongens.” Bastian balde zijn vuisten.
“Do not go gentle into that good night”, prevelde Chris.
“... niet perse.” Toen Ulysses op het eindpunt aangekomen zijn nieuwe stap overwoog hoorde hij plots een denderend geluid. Twee gele lichtjes verschenen in de verte.
Christiaans mond viel open. “Een trein...”
“Een goederentrein!”, besefte Ulysses.
“Klote.”
“Dat hóeft het niet te zijn. Kom op!”
Ulysses zette zich schrap op de rand van het perron, boog zijn knieën, maakte zich klein. De tweeling besefte als eerste wat hij van plan was.
“We kúnnen niet springen”, zei Tim, “Hij gaat te snel.”
“Ulysses heeft gelijk. Het is onze enige hoop”, zei zijn broer.
De trein vertraagde enigszins terwijl hij het station in reed. De aandacht van de machinist leek te worden getrokken door de grootscheepse vechtpartij, maar de trein leek niet te gaan stoppen. Op het moment dat de trein halverwege zijn positie was waagde Ulysses de sprong....

 

Hij landde op de goederentrein en klemde zich vast aan een container. Uit de bewegingen in zijn ooghoek maakte hij op dat zijn vrienden hetzelfde deden.
“Bukken!”, brulde Leon. Ulysses deed wat hem gezegd werd, en was blij dat hij voor het eerst op deze avond naar Leon had geluisterd. Een steen suisde over zijn hoofd. En nog een. Terwijl Ulysses en zijn vrienden de goederentrein beklommen werden ze van diverse kanten door achtervolgende ME-ers met stenen bekogeld. Ze hadden Thom al geraakt, en de jongen hield zich nog met één hand aan de trein vast, terwijl zijn benen over de rand bungelden.
“Sorry...”, riep hij, alvorens los te laten en in de bosjes naast de trein te landen.
“Ik laat mijn broer hier niet achter”, besloot zijn tweelingbroer Tim. Hij sprong weer van de goederentrein af, landde met een koprol op de grond, waar hij en zijn broer al snel door een ME-er werden ingehaald en neergeknuppeld.

Daar vielen Tim en Thom, neergesabeld door een gehelmde belager, en Ulysses besefte dat hij gefaald had in zijn voornemen zijn mensen thuis te krijgen.
“Vervloek de NS”, bleef hij mompelen, tot ze in de verte de lichten van 's Hertogenbosch zagen opdoemen... 

WORDT VERVOLGD.