Ulysses - VII

Station Den Bosch
23.05 uur
Circe
De goederentrein maakte ook in Den Bosch geen aanstalten om te stoppen, dus Ulysses en het drietal reisgenoten zagen zich genoodzaakt opnieuw een dodensprong te wagen. Ze landden overwegend veilig (Bastian verstuikte zijn enkel) op perron 4a. De trein reed rustig verder richting Eindhoven.
“Nou, tijd om een trein naar Tilburg te zoeken.”, zei Ulysses. Het was het eerste dat hij had gezegd in een half uur, het eerste dat binnen de groep was gezegd. Het verlies van de tweeling woog nog zwaar op hen.
Ook station Den Bosch was een puinhoop. Al toen ze nog op de trein zaten had Ulysses rookwolken boven het station zien hangen, en nu zag hij waarom. Enkele prullenbakken waren in brand gezet en een groep reizigers warmde zich er aan. Hoewel de meerderheid van het NS-personeel dit station in de steek had gelaten stonden er nog wel enkele treinen. Ulysses zag hoe een man met een machinistenpet werd aangevallen door een andere man die een stuk glas vast hield.
“Je wilt mij niets aandoen!”, brulde de machinist, “Ik ben de enige die je naar huis kan brengen!”
De man met het stuk glas zag de kracht van dit argument en trok zich terug.
“Jezus, dit station is echt naar de hel gegaan sinds de laatste keer dat ik hier was”, zei Leon.
Ulysses knikte. Ondanks zijn rijke levenservaring en de aanwezigheid van zijn vrienden voelde zich volstrekt onveilig op het station. Een eindje verderop werd een man in elkaar geslagen. Andere passagiers hadden de boekhandel gekraakt en rommelden nu door de schappen. Op een vreugdevuur brandden enkele Dan Browns. Elke illusie van orde en beschaving was hier verdwenen.
De borden met vertrektijden waren leeggeveegd. Er werd net als in Utrecht verwezen naar de omroepberichten. Uit de luidsprekers kwam wel een boodschap, maar die was nauwelijks te horen.
“... geweld tegen medewerkers van de NS of andere passa.... niet gedoogd”, kraakte het, “... doet haar best iedereen.... te krijgen.... Oh nee... Ze zijn hier! Code rood... Code rood!” Er klonken woeste stemmen op de achtergrond terwijl de mededeling werd afgebroken.
Ze gingen alle op het station geparkeerde treinen af (het duurde niet lang, want het waren er maar twee) en kwamen tot de conclusie dat er niets naar Tilburg zou rijden. Een boze machinist die over het perron struinde vertelde hen dat er tussen Den Bosch en Tilburg een treinverkeer mogelijk was vanwege een 'aanrijding met meerdere runderen'. Ergens ter hoogte van Berkel-Enschot waren er blijkbaar een paar koeien het spoor opgelopen en voor de trein beland. Zoiets verzon je niet, zeker niet op een belachelijke avond als deze. De machinist adviseerde Ulysses de trein naar Deurne te nemen en dan in Best of Eindhoven over te stappen op een trein die naar Tilburg reed, als het treinverkeer op die plaatsen nog wel functioneerde.
De Deurne-expres stond al klaar op perron 7 en ze stapten vlug in. De trein zat al bomvol en Ulysses en zijn vrienden waren de laatsten die naar binnen konden voordat het treinstel zo volgepakt raakte dat de deuren niet meer zouden sluiten. Er was haast geen oppervlak meer over dat niet was bezet. Mensen stonden opeen gepakt in de gangpaden, op de trappen, in de toiletten zelfs.
“We hebben het gehaald, jongens.”, zei Ulysses mat. Hij was niet in staat grote vreugde te tonen. Ze hadden het niet allemaal gehaald en het feit dat hij al twee van zijn vrienden had moeten achterlaten vrat aan hem.
Binnen de trein werd omgeroepen dat ze binnen vijf minuten zouden vertrekken, dat reizigers naar Tilburg en Breda werd geadviseerd om in Best uit te stappen omdat daar hoogstwaarschijnlijk een kwartier later al een trein in de richting Tilburg zou arriveren.
“Nou, vertrekken dan maar”, zei Bastian, “Ik heb het echt helemaal gehad met vandaag.”
“Pardon...”, merkte iemand op, “Is er nog... Kan ik misschien nog...”
Met moeite wrong Ulysses zijn voorkant terug naar de openstaande deur. Een vrouw van onbepaalbare leeftijd stond op het trapje. Aan een lijn voerde ze een golden retriever mee. Ulysses ervoer een gevoel van irritatie over deze vrouw die dacht met hond en al nog wel te kunnen instappen. Toen zag hij dat ze blind was. De bril, de stok, de hond. Hij kreeg medelijden met dat arme, blinde mens dat op deze uiterst ongelukkige dag in Den Bosch gestrand was.
“Deze trein zit vol”, zei Leon kortaf, “Er kan misschien nog één iemand bij, maar die hond gaat gewoon niet lukken. Pech gehad.”
“Leon, dit kun je niet maken”, zei Bastian. Hij maakte echter geen aanstalten zelf iets te doen.
“Het spijt me, ik zoek anders wel verder.”, zei de blinde vrouw somber, “Ooit moet het me toch meezitten. Is het... Is het al na tienen?”
Misschien lukt het wel, wilde Ulysses zeggen, maar hij wist dat zo'n hond er echt niet bij zou passen, tenzij iemand het dier boven zijn hoofd vasthield, maar dat was onhaalbaar. De vrouw zou verder moeten zoeken.
“Ik doe het wel”, zei Christiaan toen, “Neemt u mijn plaats maar.”
“Meent u dat?”, vroeg de blinde vrouw, met tranen in haar ogen.
“Ja. Ik meen het.” Christiaan wrong zich langs Ulysses naar het afstapje.
“Waar ben je mee bezig, man?”, siste Leon ongelovig.
“Oh, ik dank u zeer.”, zei de blinde vrouw, “Dit is zo ontzettend aardig van u.”
Met lede ogen zag Ulysses toe hoe Christiaan de trein verliet om plaats te maken voor de blinde vrouw met haar hond, die er maar ternauwernood bij paste. Hij wist dat hij dit initiatief eigenlijk zou moeten nemen.
“Chris, wacht...”, begon hij, en hij was opgelucht toen zijn beste vriend hem onderbrak en zijn handelen rechtvaardigde.
“Jij moet met deze trein mee”, zei Christiaan, “Jij hebt een belangrijke afspraak in Tilburg die je niet mag missen. Ik heb wel wat tijd om te doden. Voel je niet schuldig. Ik zie je morgen vast weer. Een fijne avond nog.”
Er werd gefloten, de deuren werden gesloten. Ulysses probeerde te zwaaien terwijl Christiaan alleen achterbleef tussen de chaos en vernieling op station Den Bosch. Het gevoel dat hij als leider en als vriend tekort schoot versterkte zijn greep op Ulysses.
Niet veel later in diezelfde trein, kort nadat ze station Vught hadden verlaten, zette de blinde vrouw haar bril ineens af.
“Zo. Gelukt.”, zei ze tevreden, zodat alleen Ulysses het kon horen. Die keek haar verbaasd aan. Haar ogen stonden nu verre van leeg en ze keek spottend terug.
“Wacht eens even, jij bent helemaal niet blind.”, drong het tot hem door.
“Nee? Zou het? Het is een wonder. Ik ben genezen!”, lachte de vrouw, “Het spijt me van je vriend, kerel, maar het is bijna onmogelijk om in deze puinhoop met je hond naar huis te reizen. Mensen willen je er niet bij hebben. Tenzij je verzint dat je een handicap hebt. Dan zijn ze maar al te bereid om plaats voor je te maken, hun plaats aan een hond op te geven, om zich daar vervolgens zelf beter bij te voelen.” Ze aaide de golden retriever achter zijn oren. “Zo is het toch, he jongen? Baasje heeft gelijk, he?”
“Jij... teef.” Ulysses werd woedend. Als hij meer ruimte had gehad, als deze leugenaar geen vrouw was geweest, dan zou hij haar te grazen hebben genomen, zo hield hij zichzelf voor. Stiekem besefte hij echter dat hij haar niet zo zeker van was. Ergens bewonderde hij deze vrouw, die met zulk gemak op listen bouwde om verder te komen in haar reis, in haar leven.
Ergens deed ze hem aan iemand denken.