Ulysses - IX

Tussen Best en Boxtel
0.15 uur
De sirenen
Ulysses en zijn twee overgebleven kornuiten haastten zich als eersten de trein in, hetgeen betekende dat ze nog ternauwernood een zitplaats konden veroveren. Ulysses koos er expres voor om via de deuren naar de Eerste Klas naar binnen te gaan en zo door te lopen naar de Tweede Klas, zonder op enige uitstappers te hoeven wachten. Afgaande op de reacties van de mensen die nog buiten de deuren van de Tweede Klas stonden te wachten tot iedereen was uitgestapt zou Ulysses voor deze onvergefelijk kwade daad moeten branden in vier of vijf cirkels van de hel.
Het treinstel stroomde razendsnel vol. Reizigers stelden zich op in de gangen, zetelden zich met vieren op banken die voor twee man waren bedoeld. Ulysses bekeek het geheel met een zekere minachting. Typisch hoe mensen zich zelfs in een noodsituatie als deze niet tevreden waren om überhaupt in de trein te zijn: nee, er moest koste wat kost ook gezeten worden. Het feit dat Ulysses zich zelf ook aan deze 'Drang nach sitzen' schuldig had gemaakt liet hij maar even buiten beschouwing.
“Fijn dat we in de eindspurt nog even kunnen zitten.”, zei Bastian.
Ulysses knikte. Hij was nog steeds moe en koud, en verzwakt van de recente bijna bevriezingsdood-ervaring.
Leon sloeg hem met vlakke hand in het gezicht. “Wakker blijven, wijsneus. Je moet nog naar de Philip als we zo dadelijk in Tilburg zijn.”
Ulysses en zijn vrienden zaten relatief veilig, totdat een gezelschap Limburgers de coupé binnenstormde, zich Ulysses' persoonlijke cirkel in forceerde en op luide toon begon te converseren. Één van de Limburgers, een grote, gezette man, wrong zich op de ene vrije plaats naast Ulysses, terwijl de twee anderen, al even zwaarlijvige vrouwen, in het gangpad naast hem bleven staan. De man hield een geopende zak Bolognese-chips vast, waar hij steeds weer met zijn harige klauwen in graaide om de vers gedolven zoutjes vervolgens naar zijn mond te brengen. Hij deed niet eens de moeite bij het kauwen zijn mond te sluiten.
“Ach Antwan, deil dae chips mit ons.”, zei één van de vrouwen in het gangpad. Ze was maar een jaar of drie ouder dan Ulysses, maar woog voor elk jaar minstens 10 kilo meer. Bovendien staarde Ulysses vrijwel recht in haar 'camel toe', een wanstaltig gezicht.
De dikke man lachte bulderend en Ulysses zag de aardappelresten tussen zijn tanden malen. “Dus neet! Koup dien eige tuut!” Hij lachte bulderend en liet een grote boer. Nog veel erger dan de aanblik van zijn mond was het geluid dat er uitkwam, een taal die Barbaars én bekend klonk, van sleep- en stoottoonen. Ulysses had nooit goed tegen het Limburgs gekund, maar hier, in deze verzwakte toestand, zonder mogelijkheid om zich af te zonderen, dreigde het hem teveel te worden.
“Vernon, waat ben de toch ein sjwein! Sjoewe kloetzak.”, lachte de andere vrouw knorrend. Ze zei nog meer, maar hieraan kon Ulysses nog minder vastknopen.
“Weit de waat dae suftrien op 't peróng net taenge mich ze?” Dit was de eerste vrouw weer. “Of ich get stjiller kónne zeen! Esof ich zoe loed zee! Ich ze taenge haor det ze neet zoe dóm mot doon!”
Dit alles moest Ulysses aanhoren. Hij verstond nauwelijks wat er gezegd werd, maar de taal zelf deed hem pijn, leek zijn IQ aan te tasten, te doen dalen waar hij bij zat. Hij wenste dat hij in het gangpad was gaan staan, maar nu kon hij niet meer weg, zo vol als de gang stond.
“Dit is vreselijk”, zei Leon, “Geen taal is bedoeld om zo te klinken.” Hij deed vlug zijn oordopjes in, en zette zijn MP3-speler aan. Onmiddellijk schalde het geluid van de één of andere alternatieve band door zijn oren.
“Wat doen ze überhaupt in deze trein?”, vroeg Bastian zich af, “Limburg is de andere kant op.” Ook hij had een iPod binnen handbereik en verdween in zijn muziek.
Ulysses, die als enige geen oordopjes of muziekspeler bij zich had moest als enige het Limburgse gekrakeel verduren. Hij probeerde het geluid uit te bannen door zachtjes te neuriën, door op andere gesprekken om hem heen te focusen, maar de barbaren overstemden hem.
Ze moesten door hebben dat hij zich zat te verbijten. Enkele malen zag hij de Limburgers spottende blikken op hem werpen, naar hem wijzen.
“Dae jóngenhier höb er winnig puf in.”, grinnikte de man.
“Waat veur ein sjraole läöres”, zei de vrouw knorrend.
Ulysses stootte Leon aan, probeerde een gesprek met zijn vrienden op gang te krijgen, maar zij hoorden hem niet. Leon wees geïrriteerd naar zijn MP3-speler, zette toen het geluid wat harder, terwijl Ulysses verging van ellende. Hij had vergiftigde koffie geweigerd, cyclopische conducteurs getrotseerd, een veldslag met de ME overleefd en was bijna dood gevroren. Toch was het horen van de Limburgers de zwaarste beproeving van allemaal.
Hij greep naar zijn hoofd, schudde het door elkaar. “Aargh!”, brulde Ulysses, “Sla me, dood me, haal me hier weg! Ik houd dit niet lang meer vol!”
Één van de Limburgers stond op en schudde hem door elkaar. “Zeet 't wel goe mit de?”
“Nee, het gaat niet 'goe', jij halfmens! Ik verga hier van ellende!” Hij wees naar het bordje boven de Limburgers. “DIT IS VERDOMME EEN STILTECOUPÉ!”