Ulysses - Slot

Tussen Den Bosch en Tilburg
0.30 uur
Kalypso
Hij trof het meisje op één van de bankjes in de Tweede Klas. Er waren nog zat plaatsen vrij in deze nachttrein, maar Ulysses koos er voor om tegenover haar te gaan zitten. Ze had iets, iets dat hem aantrok, iets in hem wakker maakte. Iets kwetsbaars. Iets waar hij gebruik van kon maken. Bovendien zat er een hele groep Limburgers aan de andere kant van het treinstel. Over zijn lijk dat hij daar ging zitten.
Ze keek één keer op toen hij tegenover haar ging zitten, glimlachte vriendelijk toen hij hetzelfde deed. Ulysses wist dat hij behoorlijk aardig om te zien was: zijn sympathieke, aangename voorkomen had hem altijd geholpen bij het uitvoeren van zijn listen. Ze zat te lezen, een boek van Stieg Larsson, wie niet tegenwoordig.
Hij gaapte net luidruchtig en langdurig genoeg om op te vallen maar niet zo luid of lang dat het onbeleefd werd.
“Lange avond gehad?”, grijnsde ze.
Hij knikte. “Min of meer. Naar het voetbal en daarna nog even Amsterdam in.”
“In je eentje?”
“Nou... Dat is een mooi verhaal eigenlijk. Ik ben al mijn vrienden onderweg naar huis kwijt geraakt. Spoorloos verdwenen. Je weet hoe dat soms kan gaan als iedereen wat gedronken heeft. Nou ja, twee ervan waren met hun dronken koppen te laat voor een tram, dus ze moesten op de volgende wachten, maar we hebben ze niet meer zien verschijnen. En een ander was zo lang bezig met een blinde man naar het stationstoilet te helpen dat ik maar verder ben gelopen. Ik moest wel, mijn trein vertrok... Maar... we hebben wel veel fun gehad, hoor.” Hij merkte dat hij op zijn woorden moest letten. Dit verhaal, op deze manier verteld, deed het voorkomen of hij een soort van kansloze dronkenlap was die zijn vrienden in de steek had gelaten. Kwam niet echt goed over. Misschien moest hij het in het vervolg wat aandikken.
“En twee anderen kozen een gevecht met een een straatcoach die ons naar ons ID vroeg. Stelletje malloten. Ik wilde ze helpen maar ze renden er vandoor en die gast ging ze achterna en toen wist ik het ook niet meer.”
“Oh jee. Arme jongen toch.” Oprecht bezorgd. Hij had een opening. Nu nog een weg te banen naar die andere opening...
“Ach, het gaat wel, hoor. Ik kan wel wat hebben.” Hij streek door zijn haar, nam zijn tas op schoot.
“Wat lees jij?”, vroeg ze.
Hij hield het beduimelde boekje dat bovenin zijn tas zat omhoog. “De Odyssee. In de klassieke vertaling van eh... dr. Onno Damsté. Erg 'old-school', maar desondanks verrassend leesbaar. Ik ken mijn klassiekers.”
“Jezus, je moet wel erg intelligent zijn om zulke zware kost te lezen.”
“Een beetje maar. En eerder slim dan intelligent.” Hij boog zich iets naar voren. “Maar genoeg over mij... Hoe was jóuw avond?”
*
Tien minuten later nam hij haar op de toiletten. Het was hem niet zo opgevallen, maar ook zij had al wat op. Nam niet weg dat ze fel was, hem in zijn nek beet. Veel gekreun en gehijg. Hij mocht dat wel. Één van zijn betere veroveringen. Ze gaf hem haar telefoonnummer. “Bel je me nog eens?”
“Zal ik doen.” Misschien. Als het met Penny niks werd. Als hij met haar klaar was. Als het hem uitkwam...
Daar was zijn station alweer. Hij verliet het toilet, trok zijn jas recht. Een grote conducteur keek hem wantrouwig na, waarschijnlijk jaloers.
“Een prettige nacht nog, meneer.” Ja, een prettige nacht, en die nacht was nog jong...
*
“Nou? Waar blijft het? Waarom zeg je niets?”, drong Penny aan, toen Ulysses al ruim een halve minuut in de verte staarde.
“Ik probeer me te herinneren waar ik die geur kan hebben opgedaan.” Ulysses keek zo peinzend mogelijk. “Ik denk dat ik het al weet. Toen we daarstraks in die trein tussen Bosch en Best zo enorm opeen waren gepakt stond ik vlak naast zo'n dellerig meisje van het VMBO. Stond de hele tijd op nogal luide wijze met haar vriend te bellen. En halverwege de reis heeft ze ook nogal flink staan sprayen. Ik denk dat dat is wat je ruikt.”
“Oh... Óh.” Ulysses zag haar twijfelen. Het was geen ongelofelijk verhaal, geen grote leugen, slechts een kleine, voor de hand liggende verklaring. Het hoefden niet altijd grote epossen te zijn. Een goede leugenaar wisselde het af. “Dus het is echt geen ander meisje?”
Ulysses forceerde een lach waar hij achteraf trots op terugkeek. Zo spontaan, zo oprecht. “Nóóit! Ik ben nooit met een ander geweest! Wel, niet recent ten minste. Niet sinds ik jou ontmoette. Sinds ik jou ken heb ik geen oog meer voor andere vrouwen. Ze zijn allemaal hetzelfde voor mij. Vervelend, onopvallend, inwisselbaar. Maar jij... jij bent uniek.” Hij sloeg zijn arm om haar heen, dwong haar dichterbij.
Ze gaf mee. “Dat is... ontzettend lief van je.”
Ze geloofde hem. Hij glimlachte, Ulysses glimlachte, want hij had zijn bijnaam vanavond dubbel en dwars verdiend.
De verzwegen ontmoeting was het enige deel van zijn reisverhaal dat niet verzonnen was.