De Dichter

DE DICHTER
Na een doorwaakte nacht betrad de dichter zijn stamcafé. Hij nam plaats aan het ruwhouten tafeltje bij het raam en staarde naar buiten, waar juist een flauw zonnetje doorbrak. Hij bestelde een tripeltje en draaide een shagje. Hij zocht naar zijn leesbril, want hij wilde de notities doornemen die hij die nacht gemaakt had. Hij herinnerde zich een aantal ijzersterke strofen, die hij zou gaan gebruiken in zijn nieuwste gedicht, een gedicht dat eigenlijk de kroon op zijn werk tot dusver zou gaan vormen. Een gedicht dat hem de erkenning zou gaan opleveren, waar hij al zolang naar streefde. Het zou een diepgaand gedicht worden, kort maar krachtig en toegankelijk voor iedereen. Echter wel van een bepaald intellectueel niveau. Maar goed, hij kon zijn leesbril zo gauw niet vinden, zeker in zijn werkjas laten zitten. Zijn notities zaten daar waarschijnlijk ook nog in. Daar zou hij straks thuis nog wel eens naar kijken. Hij woelde wat in zijn baard en nam een krant ter hand, maar ach, zonder leesbril had dat weinig nut, dus ging hij verder met naar buiten staren. Dat kon trouwens soms wel eens leuke ideeën opleveren, naar buiten staren. Zoals die ene keer dat hij naar buiten staarde en plots een goed idee kreeg. Hij wist het nog goed. Dat was alweer enige tijd geleden. Hij had het idee toen meteen opgeschreven, maar het briefje was bij het oud papier beland. Hij hield zich namelijk regelmatig onledig met het doornemen van ongeadresseerd reclamedrukwerk en dat geeft natuurlijk nogal wat papierrommel.
Zo schreef hij ook, als hij zijn leesbril bij zich had, regelmatig spontane gedichten op bierviltjes, hier in zijn stamkroeg. Hij liet ze echter altijd op de bar liggen en de volgende dag waren ze dan opgeruimd.
Het viel hem op dat Barend er nog zat, daar aan het einde van de bar. In dezelfde houding als gisterennacht, rond sluitingstijd, alleen iets meer ingezakt, leek het wel. Zouden ze hem weer hebben laten zitten? Dat gebeurde namelijk wel vaker, hier in café Spleen. Je kon van Barend zeggen wat je wilde, maar lastig was hij nooit. Daarom kneep het personeel soms een oogje toe en liet Barend gewoon zitten tot de kroeg weer open ging.
Het enige wat Barend deed was aan de hoek van de bar werken aan zijn nieuwe project, dat iets met beeldend objectentheater te maken had. Soms praatte hij er ook over, maar dan moest hij in een olijke stemming zijn. De andere gasten voorzagen hem dan van de nodige inspiratie, in de vorm van kelken bier, want iedereen hoopte dat Barend’s project gauw van de grond zou komen. Iedereen zou dan uitgenodigd worden bij de première, in zijn eigen theater. Maar Barend deed nog meer.
Een paar jaar geleden was de dichter nog bij de opening van Barend’s expositie geweest. Dat was in café ’t Biervat aan de Ringbaan West. Hij had daar nog voorgedragen uit eigen werk.
Hij herinnerde zich nog de beeldende kracht en intensiteit van de getoonde werken. Barend’s gouaches waren transparant in hun eenvoud, vol van contrast en straalden een verstilling uit, die bewerkstelligd werd door het gebruik van complementaire kleuren tegenover vibrerende grijstonen. Je voelde als het ware de eenzaamheid van de kunstenaar, uitgedrukt in een boeiend lijnenspel van elkaar overlappende vlakken. De verkoop was een beetje tegengevallen, maar zoals Barend zei, de markt was er nog niet klaar voor. Veel vaste klanten hadden hem beloofd ooit nog eens een werk van hem te kopen.
De dichter bestelde intussen zijn zesde tripel en zag het buiten langzaam donker worden. Hij zou natuurlijk naar huis kunnen gaan om zijn leesbril te halen, terugkomen en dan onder het genot van een paar biertjes verder nadenken over zijn gedicht, maar stiekem had hij al besloten hier in café Spleen een bak pinda’s als avondmaal te gebruiken en eens richting bar te verhuizen. Er zouden vast nog veel bekenden komen vanavond. Bovendien zou de singer-songwriter hier optreden die laatst had afgezegd omdat hij zijn gitaar in een andere kroeg had laten liggen. De dichter hoopte dat het deze keer wel door zou gaan.
Frans van der Meer
Plaats reactie